Volkswagen

Ferdinand Porsche werd in 1875 geboren en raakte rond de eeuwwisseling betrokken bij de wereld van de automobielconstructie. Nadat hij voor verschillende autofabrikanten had gewerkt, richtte hij in 1931 samen met enkele naaste medewerkers en zijn zoon Ferri een eigen constructiebureau op in Stuttgart.

Een van Porsche's idealen was het ontwikkelen van een auto als gebruiksvoorwerp voor de massa: eenvoudig, degelijk en betaalbaar.

In 1932 kreeg het bureau van Porsche van motorfietsproducent Zündapp de opdracht een kleine auto te ontwerpen. Deze wagen werd afgeleid van een zescilindermodel dat hij in 1931 voor Wanderer had ontwikkeld. De Zündapp kreeg een vijfcilinder stermotor die, evenals bij de Wanderer, achterin werd geplaatst.

Vanwege geldgebrek moest Zündapp het project voortijdig beëindigen. Kort daarna kwam motorfietsfabrikant NSU met een soortgelijke opdracht.

Op basis van het Zündapp-project werden twee prototypes gebouwd, elk met een verschillende carrosserievorm. In deze auto's werd voor het eerst de viercilinder boxermotor beproefd. Ook NSU moest het project echter voortijdig stopzetten, omdat een oud contract met Fiat verbood dat NSU zelfstandig auto's produceerde.

De kersverse rijkskanselier Adolf Hitler kondigde in 1933 bij de opening van de autotentoonstelling in Berlijn aan dat iedereen binnen afzienbare tijd een eigen auto zou kunnen bezitten. Kort daarna nodigde hij Ferdinand Porsche uit om een rapport op te stellen waarin werd uiteengezet hoe een "auto voor het volk" eruit zou moeten zien. Porsche stelde zich een auto voor die goedkoop was in aanschaf en onderhoud, betrouwbaar en duurzaam was, een topsnelheid van ten minste 100 km/u kon bereiken en plaats bood aan een gezin van vier à vijf personen.

In 1934 besloot het Duitse ministerie van Verkeer Porsche opdracht te geven een Volkswagen te ontwikkelen, onder de voorwaarde dat de auto niet meer dan duizend mark mocht kosten.

In 1936 reden drie onopvallende, asgrauwe autootjes, die vanwege hun uiterlijk de bijnaam "meikevers" kregen, over een testcircuit. Dagelijks werd 800 kilometer afgelegd, verdeeld over twee trajecten. 's Morgens reed men over verharde wegen, lange rechte stukken, bochtige trajecten, steile hellingen en ten slotte een 22 kilometer lang gedeelte vol kuilen en gaten.

's Middags volgde een traject over autosnelwegen: 446 kilometer van Stuttgart via Bruchsal naar Bad Nauheim en terug. Dag na dag reden de drie "meikevers" door Zuidwest-Duitsland totdat ieder voertuig de voorgeschreven 50.000 kilometer had afgelegd.

Tijdens de eerste 5.000 kilometer braken bij alle drie de auto's de versnellingshendels. Ook begaven de krukassen en drijfstangen het, begonnen de versnellingsbakken te rammelen, verbrandden kleppen, sleten de remmen en raakten de voorassen los.

's Nachts werden alle geconstateerde problemen onderzocht en verholpen.

Diplomingenieur Vorwig kreeg de opdracht een rapport voor de auto-industrie op te stellen. Daarin concludeerde hij:

"De constructie blijkt doelmatig. Over het algemeen hebben de testwagens de 50.000 kilometer goed doorstaan. Er heeft zich wel een aantal mankementen voorgedaan en er zijn verschillende tekortkomingen ontdekt, maar deze zijn niet van essentiële aard en vermoedelijk zonder bijzondere technische moeilijkheden te verhelpen. Verschillende constructieonderdelen, zoals de vooras en de remmen, dienen voor verdere ontwikkeling nog grondig te worden getest. Olie- en benzineverbruik blijven binnen redelijke grenzen. De rijeigenschappen en prestaties zijn goed. Op grond van de gebleken eigenschappen verdient het aanbeveling de wagen verder te ontwikkelen."

Naar aanleiding van het rapport van Vorwig gaf de staat opdracht de Volkswagen verder te ontwikkelen.

De constructiestaf van Porsche groeide uit tot ongeveer honderd medewerkers en in Zuffenhausen, een industriële wijk van Stuttgart, verrees een fabriek.

In 1937 werden dertig testwagens gebouwd en kreeg Porsche's zoon Ferri de leiding over de proefnemingen. Er werden tweehonderd chauffeurs aangesteld en in een kazerne in Kornwestheim werd het hoofdkwartier gevestigd.

In de zomer van 1937 begon een duurtest van 80.000 kilometer over autosnelwegen, Alpenpassen, hobbelige wegen en kinderkopjes. Gezamenlijk legden de testwagens 2,4 miljoen kilometer af. Daarmee was dit destijds de zwaarste praktijktest in de geschiedenis van de automobiel.

Op 26 mei 1938 begon de bouw van de Volkswagenfabriek en de daarbij behorende stad Wolfsburg, nabij het dorp Hesslingen. De bedoeling was dat de productie in oktober 1939 zou starten, maar toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak was slechts het eerste deel van de fabriek gereed en grotendeels ingericht. Op de mechanische afdeling ontbraken echter nog onmisbare machines toen men in de loop van 1940 met de productie begon.

Er werden aanvankelijk geen personenauto's gebouwd, maar de Kübelwagen, een militaire uitvoering van de Volkswagen. Verschillende onderdelen moesten elders worden vervaardigd. Vanaf 1942 werd in Wolfsburg ook de Schwimmwagen gebouwd, een amfibievoertuig. Tot 1945 verlieten van beide typen samen bijna 70.000 voertuigen de fabriek, terwijl slechts enkele exemplaren van de gewone Volkswagen werden geproduceerd, waaronder in 1943 een kleine serie vierwielaangedreven Kevers voor militaire doeleinden.

Dat de Kübelwagen en de Schwimmwagen onder oorlogsomstandigheden uitstekend voldeden, vormde een bevestiging van de kwaliteit van de constructie.

Aan het einde van de oorlog was de fabriek voor meer dan 70 procent verwoest. Omdat er nog een voorraad onderdelen beschikbaar was, werden in 1945 onder leiding van de Britse bezettingsmacht toch nog 1.700 Volkswagens gebouwd. In 1946 steeg de productie zelfs tot 10.000 auto's. Daarna viel de productie tijdelijk terug doordat de voorraden uitgeput raakten.

De Britten zochten naar een geschikte directeur voor de fabriek. Op 1 januari 1948 trad Heinrich Nordhoff aan als algemeen directeur van Volkswagen. Hij reorganiseerde de productie, bouwde een uitgebreid verkoopnetwerk op en introduceerde een klantenservice. Binnen een half jaar, op 1 juni 1948, verdubbelde hij de productie van 900 naar 1.800 auto's per maand.

In 1948 werden 19.244 auto's afgeleverd. De export begon met Nederland en werd later uitgebreid naar Zwitserland. In 1949 verlieten 46.000 auto's de fabriek en werden ook de eerste Volkswagens naar de Verenigde Staten geëxporteerd.

In 1950 bedroeg de productie meer dan 90.000 auto's. In datzelfde jaar werd het programma uitgebreid met een bestelwagen.

De miljoenste Kever werd in 1955 geproduceerd. In 1960 werd het bedrijf beursgenoteerd als Volkswagenwerk AG. In 1964 nam Volkswagen Auto Union over van Daimler-Benz en in 1969 werd NSU met Auto Union samengevoegd tot Audi NSU Auto Union AG.

In 1972 overtrof de Kever het productierecord van de Ford Model T. Een jaar later waren meer dan zestien miljoen Kevers geproduceerd. In 1974 verscheen de Golf als opvolger van de Kever. In 2002 overtrof de totale productie van de Golf die van de Kever.

In 1985 werd de naam Volkswagenwerk AG gewijzigd in Volkswagen AG en werd Audi NSU Auto Union AG omgedoopt tot Audi AG.

 

Volkswagen nam in 1986 Seat over, in 1991 Škoda en in 1998 volgden Bugatti, Lamborghini en Bentley. Porsche is ook in handen van Volkswagen, maar de familie Porsche is de grootste eigenaar van Volkswagen.




reclame e.d.