Delaunay belleville

Een Delaunay-Belleville 06 met een koetswerk van Paul Facher.
Een Delaunay-Belleville 06 met een koetswerk van Paul Facher.

Julien Belleville bouwde stoomketels voor schepen, louis Delaunay kwam in dienst bij zijn bedrijf en Belleville trouwde met de dochter van Delaunay. Zo ontstond de bedrijfsnaam Delaunay Belleville.

In 1903 werd de S.A. des Automobiles Delaunay-Belleville opgericht in Saint-Denis door Louis Delaunay en Marius Barbarou. Op 28-jarige leeftijd had Barbarou al ervaring opgedaan bij Clément, Lorraine-Dietrich en Benz en hij was verantwoordelijk voor ontwerp en styling, met inbegrip van de ronde radiateur als handelsmerk.

De eerste auto van dit merk verscheen op de Parijse Salon van 1904. De ongeëvenaarde kwaliteit van de techniek maakte deze auto tot iets bijzonders.

Het merk stond in Frankrijk bekend als zeer prestigieus, de Tsaar van Rusland was in 1909 de voornaamste klant van het merk. Andere eigenaars waren koning George I van Griekenland en koning Alphonso XIII van Spanje.

Net als de meeste prestige merken werden de auto's verkocht als kaal chassis en van koetswerken voorzien door carrosseriebouwers. Tussen 1906 en 1914, werden de in Engeland  ingevoerde auto's voornamelijk van een carrosserie voorzien door Shinnie Brothers, een dochteronderneming van Burlington, in Aberdeen en dan verzonden naar Londen voor verkoop.

De ronde radiateur, die tot 1926 werd toegepast, was een afspiegeling van de beroemde Belleville stoomketels.

Aan het einde van de twintiger jaren, nadat Barbarou ontslag had genomen, ging het bergafwaarts met Delaunay-Belleville en enkele modellen werden zelfs met Amerikaanse Continental motoren uitgerust.

De Franse gangster Jules Bonnot gebruikt een Delaunay-Belleville voor zijn eerste overval.

Aan het einde van het bestaan van het merk, in 1948, werd het bedrijf verkocht aan Robert de Rovin voor het bouwen van de kleine De Rovin auto’s.