hudson

Een Hudson Commodore 8 uit 1948, te zien in het Louwman Museum in Den Haag.
Een Hudson Commodore 8 uit 1948, te zien in het Louwman Museum in Den Haag.

De 24-jarige verkoopchef Roy Chapin en Howard Coffin werkten samen bij Ransom E. Olds. Ze besloten voor zichzelf te beginnen en startten met de firma Thomas-Detroit, opgevolgd door Chalmers-Detroit. Uit beide firma’s ontstond in 1909 de Hudson Motor Car Company. J.L Hudson, winkelmagnaat uit Detroit, was de financier van het naar hem genoemde merk.

In 1909 begon de productie met een viercilinder, een ontwerp van Howard Coffin en aan het einde van 1910 bezette de jaarproductie van Hudson al de zeventiende plaats in de Verenigde Staten. Een zescilinder volgde in 1913, het jaar waarin J.L. Hudson overleed. Eind 1914 beweerde Hudson trots de grootste producent van zescilinders ter wereld te zijn. De productie van viercilinder modellen stopte in 1916. Ook het Witte Huis schafte een Hudson voor president Hoover aan.

In 1918 voegde Hudson het merk Essex aan haar merklijn toe om met goedkopere auto’s te kunnen concurreren met Ford en Chevrolet.

De Hudson-Essex groep stond in 1929 op de derde plaats in de Verenigde Staten met een jaarproductie van 300.000 auto’s. Daarna namen de verkopen echter af, ondanks de introductie van een achtcilinder in lijn in 1930.

De merknaam Essex werd in 1932 en 1933 vervangen door Essex-Terraplane, vanaf 1934 werd het Terraplane, in 1938 werd de naam gewijzigd in Hudson-Terraplane en in 1939 verdween de naam Terraplane.

Op bevel van de Federale overheid werd van 1942 tot 1945 oorlogsmateriaal geproduceerd in plaats van auto’s.

Hudson werd in 1953 en 1954 kampioen in de Amerikaanse stockcar races.

In de jaren vijftig werd het steeds moeilijker om te concurreren met de “grote drie”, General Motors, Ford en Chrysler. Daarom fuseerde Hudson in 1954 met Nash Kelvinator om American Motors Corporation (AMC) te vormen, met George Romny aan het roer. In 1957 verdween de merknaam Hudson.